saami

Lapinporokoira

Laplandse rendier hoeder.
Land van herkomst: Finland.
Publicatie datum van de officiële rasstandaard: 8-5-1997.

FCI CLASSIFICATIE:
Groep 5: Spitzen en Oertypen
Sectie 3.4: Scandinavische waakhonden en hoeders, zonder werkproeven.

KORTE Geschiedenis:
De Lapinporokoira stamt af van de oeroude rendierherdershondenrassen van de Finse Samen. Als gevolg van het inkruisen van verschillende rassen was hij uiteindelijk vrijwel ongeschikt als rendierherdershond. Sommige honden vertoonden zelfs ander gedrag en gingen jagen in plaats van hoeden. Men besloot het ras te reconstrueren en uiteindelijk ontstond een goede herdershond, die gehard en robuust was en een voor het doel geschikte vacht had. Bovendien kon hij ook onder zware weersomstandigheden en op moeilijk terrein zijn werk doen. De Lapinporokoira is buiten de Finse grenzen weinig voorkomend.

ALGEMEEN BEELD:
Een middelgrote, hoedende spitshond, duidelijk langer dan de schofthoogte. Hij heeft sterke botten en spieren. De hond is gespierd, nochtans mag hij niet de indruk geven te zwaar te zijn. Het geslacht zou duidelijk waarneembaar moeten zijn. De vacht is aangepast aan het noordpool klimaat. Belangrijke verhoudingen; de lengte van het lichaam is ongeveer 10% langer dan de schofthoogte. De diepte van het lichaam is ongeveer de helft van de schofthoogte.

GEDRAG/TEMPERAMENT:
Werkhond, volgzaam, vriendelijk, energiek en bereid te werken. Blaft gemakkelijk tijdens het werken. In huis, mits er genoeg mee gedaan wordt, een rustige kalme hond.

HOOFD:
Langschedelig, de snuit is iets korter dan de schedel.
De Schedel: Slechts licht gewelfd licht hellend.
De frontale groef is duidelijk en de wenkbrauwranden zijn welomlijnd.

SNUIT:
De neusbrug is recht. Van bovenaf en in profiel bekeken versmalt de snuit licht naar de neus toe.

LIPPEN:
Strak.

KAKEN/TANDEN:
Sterke kaken en tanden. Schaargebit.

WANGEN:
De jukbeenbogen zijn duidelijk gemarkeerd.

OGEN:
Bij voorkeur donker van kleur, maar wel in harmonie met de vachtkleur. Zijn ovaalvormig en
relatief ver uiteen geplaatst. Ze hebben een levendige, attente en scherpzinnige uitdrukking, tevens is er in de ogen van de teven toewijding en trouw te bespeuren.

OREN:
Staande, spitse oren van gemiddelde lengte, eerder wijd uiteen geplaatst, vrij breed aan de basis. De binnenkant van het oor is overvloedig bedekt met haar, in het bijzonder aan de basis.

HALS:
De hals is sterk en middelgroot van lengte. Er is een geleidelijke overgang naar de schouders. Zonder halskwab (keelhuidvorming).

LICHAAM:
Schoft: Duidelijk zichtbaar.
Rug: Sterk en gespierd.
Lenden: Kort en gespierd.
Croupe: Vrij lang en licht schuin aflopend.
Borstkas: De borstkas is diep, lang en ruim, maar niet erg breed. De ribben hebben een duidelijke boog.
Buik: Zacht oplopend.

STAART:
De staart heeft een gemiddelde lengte, zet laag aan en is overvloedig bedekt met haar. In rust hangt de staart naar beneden. In beweging wordt hij gehouden in een lichte boog, daarbij mag hij niet over de rug komen. In actie mag de staart ook cirkelvormige bewegingen maken.

LEDENMATEN:
VOORSTE LEDEMATEN (VOORHAND)
Algemene beschrijving: Krachtig, vastgemaakt aan het lichaam met sterke spieren, toch nog heel beweeglijk. Gespierd en vrij hoekig gevormd. In vooraanzicht recht en parallel.
Schouders: Schuin aflopend en gespierd.
Ellebogen: Niet echt naar binnen of buiten gedraaid, dicht bij het lichaam, recht naar achter wijzend.
Voorpoten: Verticaal.
Voorpootgewricht: Pezig en flexibel.
Voormiddelvoet: In profiel gezien, licht schuin aflopend, wat een flexibele beweging mogelijk maakt.
Voorpoten: Langs alle zijden eerder ovaal gevormd. Ze zijn dicht behaard. De tenen zijn gebogen, de voetkussens zijn dik en elastisch.

ACHTERSTE LEDEMATEN (ACHTERHAND)
Algemene beschrijving: Hoekig. Van achteruit bekeken parallel en recht.
Bovendij: Vrij lang en breed met goed ontwikkelde spieren.
Kniegewricht: Vooruit gericht, de hoek is duidelijk gevormd.
Onderdij: Vrij lang en pezig.
Spronggewricht: Vrij laag geplaatst, de hoek is duidelijk gevormd.
Achtermiddelvoet: Eerder kort, verticaal en evenwijdig.
Achterpoten: Net als de voorpoten. Bij voorkeur zonder wolfsklauwen.

GANGWERK/BEWEGING:
Vrij, flexibel, moeiteloos en krachtig. Hij kan onvermoeibaar draven. Bij een snelle draf neigt hij naar single-track.

HUID:
Strakke huid zonder rimpels.
VACHT:
De dekvacht heeft een gemiddelde tot lange lengte, is recht, eerder opgericht en ruw. De ondervacht is fijn en dik. Op de hals, borst en op de achterzijde van de dijen is de ondervacht meestal dichter en langer.

Kleur
Alle tinten zwart, zelfs grijsachtig of bruin, vaak lichter grijsachtig of bruinachtig op het hoofd, de onderkant van het lichaam en de benen. Witte aftekening op de hals, borst en benen is toegestaan.

HOOGTE
Ideale hoogte voor reuen 51 cm (± 3 cm afwijking wordt getolereerd)
Ideale hoogte voor teven 46 cm (± 3 cm afwijking wordt getolereerd)

FOUTEN:
Elke afwijking van de voorafgaande punten zou als fout gezien moeten worden. De ernst waarmee naar de fout gekeken moet worden moet in de juiste verhouding staan tot de graad van afwijking.
Niet ‘mannelijk’ reuen en niet ‘vrouwelijke’ teven.
Zeer lichte ogen in een zwarte hond.
Oren met slappe uiteinden.
Staart gekruld of gebogen over de rug gedragen.
Zachte, golvende of gladde vacht.
Zonder ondervacht.

ELIMINERENDE FOUTEN:
Bovenvoorbijt of ondervoorbijt.
Hangende oren.
De reuen moeten twee normaal ontwikkelde, volledig in het scrotum ingedaalde testikels hebben.